Chapter 9 BRITS WERELDERFGOED

Maart, 2017

Beste Helen Pearson,

Jij noemt de naoorlogse Britse cohortstudies (de vijf studies die er in jouw land sinds 1946 zijn opgezet om de ontwikkeling van het leven van gewone mensen van geboorte tot en met de dood te volgen) een juweel in de kroon van de Britse wetenschap. In ieder geval maak jij in ‘The Life Project. The extraordinary story of our ordinary lives’ wel heel duidelijk hoe uitzonderlijk deze studies zijn, welke schat aan inzichten en beleidsmaatregelen ze hebben opgeleverd en hoe ze duidelijke antwoorden geven op belangrijke vragen als waarom sommige mensen in het leven gelukkig, gezond en succesvol worden en dit voor anderen niet is weggelegd. Inderdaad, buitengewone studies van grote groepen hele gewone mensen. Veel wetenschappers hebben de levens van vijf generaties zorgvuldig gevolgd en dat heeft geleid tot terabytes data, tientallen boeken, duizenden artikelen, vriezers vol met DNA materiaal, dozen vol met nagels, babytandjes en zelfs opslag van duizenden placenta’s. Jij bent wetenschapsjournalist en de eindredacteur van het bekende blad ‘Nature’. In 2010 las je voor het eerst over deze studies en in 2011 bezocht je een feestje van een van deze cohorten. Daarna was je niet meer te houden. In de vijf jaar erna werk je aan en beschrijf je heel zorgvuldig de geschiedenis van deze cohortstudies. Je bezoekt in die tijd talloze bibliotheken, laboratoria en onderzoekkelders en spreekt met genetici, economen, epidemiologen, sociale wetenschappers en statistici. Jouw verhaal is een verhaal geworden van overleven, van strijdvaardige en bijzondere wetenschappers die voortdurend hard vechten om hun studie overeind te houden en die met hun geloof, verbondenheid, eigenwijsheid, kennis, verbeelding en, toch ook wel, excentriciteit ervoor zorgen dat deze studies doorgezet worden. Jouw boek is een sociale en wetenschapsgeschiedenis tegelijkertijd en het lezen ervan, moet ik jou zeggen, deed mij heel veel plezier, niet in de laatste plaats vanwege jouw jaloersmakende schrijfstijl.

Jouw boek begint wanneer in 1946 een gek groepje wetenschappers alle informatie gaat verzamelen over de geboorte van elke Britse baby die er in een kille maartse week van dat jaar werd geboren en wanneer talloze verpleegsters op de fiets het land doortrekken. Het leven van duizenden van hen wordt sinds die eerste meting gevolgd en deze eerste Britse cohort hield vorig jaar zijn zeventigste verjaardag. Vergelijkbare cohorten worden daarna nogmaals uitgezet onder kinderen die in 1958 zijn geboren, in 1970, begin jaren negentig en in 2000 (millennium kinderen). In totaal worden er meer dan 70.000 kinderen op hun levenspad gevolgd. In de eerste jaren is er uiteraard veel aandacht voor vraagstukken die met de geboorte van kinderen te maken hebben. De eerste inzichten zijn schokkend toen duidelijk werd hoe sterk het land door klassen was verdeeld en de kindersterfte 70% hoger was onder kinderen van de werkende klasse. De inzichten leiden er in deze tijd toe dat ondersteuning rond de geboorte in het aanbod van de net opgerichte Nationale Health Service wordt opgenomen. Vanaf de jaren zestig wordt er steeds meer over het onderwijs gesproken. Er zou sprake zijn van het verlies van talent en dat kwam met name voor onder de arme kinderen. De cohortstudies brengen deze onderwijsachterstanden duidelijk aan het licht. Begin jaren zeventig wordt er nog volop gerookt in de westerse samenleving en roken was ondertussen als een duidelijke risicofactor voor ziekten en een verkorte levensduur gedetecteerd. Vanwege roken stierven volwassenen eerder, maar wat betekent dat roken voor kinderen? 40% van de zwangere vrouwen rookte begin jaren zeventig nog en de cohortstudies laten in deze jaren overduidelijk zien dat dit roken samenhangt met kindersterfte en lage geboortegewicht. Nadat de ergste naoorlogse armoede is weggewerkt en de mensen het weer wat beter krijgen, steken nieuwe ziekten de kop op. Obesitas en overgewicht nemen met de welvaart toe en de cohortstudies laten zien dat gewicht onder de verschillende cohorten tegelijkertijd sterk toeneemt. De leeftijden van de cohortdeelnemers nemen verder toe en nieuwe problemen steken de kop op. Zo wordt duidelijk gemaakt dat één op de drie ouders cognitieve vaardigheden heeft die op het niveau van elf-jarigen liggen. Talloze tests worden er onder deze volwassenen uitgezet om dit duidelijk te maken. De data zijn zo sterk dat er ook inzichten kunnen worden gegeven in de sociale mobiliteit en de intergenerationele overdracht ervan. De sociaal economische toekomst van kinderen die in de jaren zeventig zijn geboren is sterker aan die van hun ouders verbonden dan van kinderen die in de jaren vijftig zijn geboren. Ook maken de cohortstudies duidelijk hoe belangrijk de betrokkenheid van ouders in de eerste jaren is voor een succesvol leven. Ondertussen zijn de eerste cohortdeelnemers senior geworden en laat het zien met welke toename van stoornissen en ziekten deze groep ouderen te maken heeft. In jouw boek maak ik, aandachtige lezer, ook kennis met een groep hele bijzondere wetenschappers zoals Douglas, Butler, Bynner, Wadsworth, Goldstein, Chalmers, Golding, Kellner, Sullivan, Elliot, Goodman, Fitzesimon, Dezacourt en vele anderen. In eerste instantie zijn het allemaal mannen, tegenwoordig zijn alle cohortstudies in handen van vrouwen. In eerste instantie wordt de verklaring voor onderliggende uitkomsten veelal gezocht in de omgeving waarin mensen opgroeien, later spelen genetische elementen een belangrijke rol. De studies zijn opgezet in een tijd dat er nog helemaal geen gebruik van computers kan worden gemaakt. Daar kun je tegenwoordig helemaal geen voorstelling van maken maar de gegevens werden toch allemaal met de hand ingevoerd en op betrekkelijke eenvoudige manier geanalyseerd. Jij laat ook zien waar er strijd wordt geleverd tussen wetenschap en politiek maar ook tussen wetenschappelijke disciplines onderling (sociale wetenschap bijvoorbeeld ten opzichte van medische wetenschap).

Daar waar de cohortstudies doorgaan, wat jij van harte toejuicht, eindigt jouw boek in 2015. Je laat zien hoe de vijf studies er dan voorstaan, wat de verschillen tussen de vijf studies zijn en wie er voor welke studie verantwoordelijk is. Ondertussen zijn er ook longitudinale studies uitgezet in andere landen, zoals in Noorwegen, Denemarken, Zweden en Amerika en ook in ons eigen land (bijvoorbeeld Generation R in Rotterdam). Hier zijn ze dan misschien niet zo vroeg met deze levensloop studies maar over de decennia heen zien we hier wel vergelijkbare beleidsmaatregelen. Wat brachten de studies dan weer aan extra informatie in en wat veranderde in Engeland wel en in de andere landen niet? Dat haal ik toch niet helemaal uit jouw boek. Je maakt wel weer expliciet duidelijk dat er geen land op dit gebied zoiets heeft gepresteerd als het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk kent 28 door de Unesco erkende werelderfgoederen. Daaronder vallen onder andere Stonehedge, de Tower of London en de Canterbury Castle. Misschien zijn die cohortstudies nog wel meer dan dat juweel in de Britse wetenschappelijke kroon, waar jij het over hebt, en verdienen ze zelfs een plaatsje in dat prachtig rijtje Brits werelderfgoederen. Daar waar het Britse wereldrijk na de Tweede Wereldoorlog werd afgebroken, zijn jullie in ieder geval op dit terrein wereldleider gebleven. Dat besef is er helemaal niet maar jouw studie maakt duidelijk waar de Brit trots op moet zijn en dat we ook wel wat breder tegen het cultureel erfgoed kunnen aankijken.

Dank je wel.

Grote groet, -Harrie

Pearson, H.(2016). The Life Project. The extraordinary story of our ordinary lives. London: Penguin Books Ltd. 416 pagina’s. €23,99